Het verhaal  over de bouw van een molen...
 
 
Geschiedenis van loods 4
Introductie
Deze autenthieke loods staat naast wipmolen Het Klaverblad. De loods was oorspronkelijk omstreeks 1750 gebouwd
naast houtzaagmolen de Vlieger in Zaandam- Oost. De familie Pos heeft de loods in 1978 afgebroken en overgebracht
naar de huidige plek. De herbouw van deze loods is met behulp van familie en vrienden gerealiseerd en voltooid onder
leiding van de stuwende kracht van meubelmaakster Saskia Pos. Zij is de vierde dochter van het molenaarsechtpaar van
molen het Klaverblad. Daarom draagt deze loods de naam "Loods 4". Hiemee wordt ook de traditie gevolgd waarbij
houthandels uit de Zaanstreeks de vele houtloodsen van een nummer voorzagen. Zo was het eenvoudig om aan te geven
waar bepaalde partijen hout lagen opgeslagen. Tijdens de herbouw is de loods voorzien van een comfortable en knusse
ontvangstruimte van ca. 50 m2.
Om als onderdeel van zijn totaalplan een tweede houtdroogloods  te kunnen verwezenlijken werd  Ru Pos, de
initiatiefnemer van molen Het Klaverblad, in de gelegenheid gesteld eind 1978 in Zaandam een loodsje weg te halen om
die bij de molen weer op te bouwen. Deze stond op het terrein van houthandel Stadlander en Middelhoven, in Zaandam
in het Oostzijderveld bij deZuidervaldeursloot (waar zich nu de Middelhovenweg bevindt). Deze houthandel werd
verplaatst en er zou woningbouw voor in de plaats komen.


Jarenlang stond dit gebied in het teken van de houtzagerij, eerst met o.a. paltrokmolen de Veldvlieger uit 1663, waar ons
loodsje bij hoorde, later met de gelijknamige stoomzagerij. De Veldvlieger overleefde als een van de weinige
Oostzaandammer paltrokmolens de zware economische crisis die halverwege de 18e eeuw de houtzagerijwereld
teisterde. Deze had verband met de zeer hoge invoerrechten  op gezaagd hout dat Engeland rond 1740 had opgelegd en
het invoerverbod hierop van 1752 door de zuiderlijke Nederlanden. Mogelijk werd de molen omstreeks deze tijd
verbouwd van wagenschotzager  (wagenschot =dunne, kwartiers gezaagde eiken planken die werden gebruikt voor
interieurbetimmeringen)  tot balkenzager. Het is aannemelijk dat ons loodsje toen is gebouwd i.v.m. de extra
opslagruimte die nodig was voor de verzaagde balken.
In 1789 werd de Veldvlieger gekocht door de Zaandammer houthandelaar Hendrik Stadlander, die in 1774 zijn houthandel
begon. Kort na 1800 stierf hij, waarna zijn weduwe Antje samen met haar schoonzoon Jacob Middelhoven in 1804 de firma
Weduwe Stadlander en Middelhoven oprichtte. Dit bedrijf genoot later grote bekendheid in de Zaanstreek en kreeg 
begin 20e eeuw ook verkooppunten buiten de Zaanstreek zoals in Arnhem en Breda.
In 1872 vond de eerste grote modernisering plaats. In dat jaar werd De Veldvlieger voor sloop verkocht en verrees er op
het erf van deze paltrok een nieuwe stoomhoutzagerij waarop de molennaam overging.                       
                                         Stoomzagerij de Veldvlieger rond 1910
Zoals deze luchtfoto uit 1960 van het complex van Stadlander en Middelhoven getuigt, waren houtloodsen soms wel een
paar honderd meter lang. Het loodsje wat wij nu in bezit hebben, is ook op deze foto te zien (pijl)
Houtloodsen in de Zaanstreek

De houtzagerij en de houthandel in de Zaanstreek begonnen omstreeks 1600. De toenemende bevolking, de scheepsbouw,
de bouw van boerderijen in de Noord-Hollandse droogmakerijen en de bouw van steeds meer (industrie) molens en
pakhuizen, waren de oorzaken van het grote houtverbruik.

Het opslaan van het gezaagde hout door molens en later stoommachines  in loodsen was oorspronkelijk een onderdeel
van het produktieproces. Na het zagen tot platen en delen werd het hout in de houtloodsen gelegd om te drogen. Het
drogen, tot winddroog, moest geleidelijk gebeuren. Tussen de delen werden latjes gelegd. Grotere maten hadden
langere tijd nodig om de goede droogtegraad te bereiken. Het geleidelijke droogproces bevorderde het verhouten - het
tot hout worden - van de celwanden, waardoor sterker hout ontstond dat minder werkte (uitzetten en krimpen).
De nabij de molens staande houtloodsen werden daartoe op een bepaalde manier gebouwd. De wind moest er overal
vrij spel hebben. Soms werd het hout op rondhout op de grond gelegd. Maar meestal stapelde men geheel vrij boven het
maaiveld op brede op de poeren gelegde onderslagbalken. Deze kwamen voor in dwarse richting onder de gebintstijlen
(de houtstapeling was dan in de lengterichting). Meestal echter waren deze ondersteuningen in de lengterichting gelegd
(dwars stapelen).
De loodsen hadden grote overstekken. In de eerste plaats waren deze gemaakt om te voorkomen, dat het gezaagde hout
teveel met het directe zonlicht in aanraking kwam. Daarom is bij sommige loodsen het overstek aan de zonkant vaak
groter dan aan de niet-zonkant. Teveel felle zon kon het hout doen scheuren of krom trekken, doordat het plaatselijk te
snel droogde. Ook dienden de overstekken om bescherming te bieden tegen de regen. Zoals in de Zaanse bouw
gebruikelijk, werden deze loodsen opgebouwd met gebinten (de afstand ertussen varieerde evenals de breedte) op
gemetselde poeren en met langsverbanden in de onbeschoten kap. Vrijwel alle houtloodsen hadden een tot de nok
doorlopende tussenstijl. Voor de bouw gebruikte men niet altijd gezaagd hout of bekantrechte balken. Soms was een
houtloods opgebouwd uit gesloopte gebinten van een ouder gebouw. De dakhelling was in veel gevallen eigenlijk te
gering voor dakpannen. Maar enige lekkage daardoor deerde het hout weinig. De oudste loodsen hadden in de meeste
gevallen goten.
Soms werden houtloodsen voorzien van een lattenwand langs een lange zijde (regenkant). Deze wanden waren
wegneembaar of draaibaar als deuren. De kopgevels werden gedicht, hetzij met delen hetzij met verticale latten met
(lucht) openingen er tussen. Hoe de vorm van de oudste kopgevels eruit zag, weten we niet precies. Vermoedelijk waren
ze rechthoekig afgewerkt en volgden de dakhelling. Waarschijnlijk is men - uit praktische overwegingen vanwege
doorloop onder het overstek - er toe overgegaan hieraan een holle vorm te geven. Samen met de in de tweede helft van
de 18de eeuw toegepaste in­ en uitzwenkende topgevel (brede klokvorm) ontstond zo het typische beeld van de Zaanse
houtloodsen. In sommige gevallen, vooral bij de (ver) in het veld staande houtloodsen van (paltrok)molens, werd in een
kopeind van een loods een (schaft)keet gebouwd.  (bron:  www.zaans-industrieel-erfgoed.nl <http://www.zaans-
industrieel-erfgoed.nl>)
Hoewel de Zaanstreek in de tijden van de florerende houthandel bezaaid was met houtloodsen, zijn er van deze typische
bouwwerken bijna geen enkele overgebleven. Op de Zaanse Schans, bij de andere twee zaagmolens, staan wel
houtloodsen, maar die bij het Jonge Schaap is nieuw gebouwd en die bij de Gekroonde Poelenburg heeft niet de typische
bouw met het “vloke” (weinig schuin) dak die gebruikelijk was. Op het Hazepad in Zaandijk staat nog wel een originele
loods op zijn oorspronkelijke plek, in gebruik als opslagruimte van de firma Somass.
Opbouw van onze loods
Op afgebeelde doorsnede van de houtloods zijn de onderdelen benoemd waarmee onze loods is opgebouwd.

Leeftijd
Architect Han van Leeuwen uit Koog aan de Zaan, met veel expertise op het gebied van de Zaanse houtbouw,
constateerde aan de hand van o.a. de gebruikte constructies zoals zogenoemde eiken krommers, die de constructie in de
lengte stabiel maakten, dat ons loodsje ongeveer 250 jaar oud moest zijn.
Zoals eerder aangegeven bij de beschrijving van de origine van onze loods, is het heel goed mogelijk dat onze loods bij
de Veldvlieger is gebouwd op het moment dat deze van wagenschotzager om werd gebouwd naar balkenzager. Er is geen
documentatie van wanneer dit heeft plaatsgevonden, maar het is aannemelijk dat dit rond 1740 gebeurde, het jaar
waarin het Engelse importverbod op wagenschot van kracht werd.
Op afgebeelde pentekening, waarvan het origineel  in het bezit is van dhr. Piet Middelhoven, nazaat van de eigenaren
van de gelijknamige houthandel, is ons loodsje te zien tijdens de watersnoodramp van 1825, nog een bewijs van de
authenticiteit van dit bouwwerk.
Opslag
Sinds 1979 lag het skelet van het houtloodsje van Stadlander en Middelhoven opgeslagen op het perceel van het
klaverblad. Aan het schafthok is een afluivering gebouwd waar de 5 binten lagen. De lange onderdelen, de nokbalk,
wurmten en vloerplaten, lagen onder de luifel van de al opgebouwde houtloods van Donker. De kortere onderdelen,
daksporen, nokschoren en -staanders,  vonden een plek in de houtloods. De ervaring van Pos met houtopslag kwam hier
goed van pas; alle onderdelen werden netjes opgelat, waarbij de constante luchtcirculatie rondom de delen voorkwam
dat het hout wegrotte. Alle onderdelen zijn van grenen, een houtsoort met duurzaamheidsklasse III / IV, wat inhoudt dat
het onder de slechtste omstandigheden maximaal 15 jaar meegaat, dus een correcte opslag is een must.
De gebinten op de plek waar ze sinds 1979 hebben gelegen
De lange onderdelen in opslag, waar in het midden de nokbalk goed te zien
is met een lasverbinding en het gat voor de pen van een nokstaander.
Een onderdeel van de originele ontwerptekening van het bouwplan van Pos, van Husslage                                      
Architecten uit 1973. De kopgevel is die van de laatste te bouwen loods.
 
Copyright © 2005 by "Stichting Het Klaverblad"  ·  All Rights reserved  · 
naar boven